ERA-NET- & TBM-FINANCIERING


PATENT BEPAALT NOG AL TE VAAK OF JE LEVENS KAN REDDEN MET JE ONDERZOEK

Zonder fondsen geen onderzoek. Omdat niet alle wetenschappelijke inzichten zich onmiddellijk vertalen in een harde return, is het voor onderzoekers niet altijd evident om financiering te vinden. Om nieuwe therapieën en diagnosemethodes toch tot bij de patiënt te krijgen, biedt het FWO specifieke steunprogramma’s aan. Twee professoren in het biomedische werkveld vertellen hoe die steun hun onderzoek en carrière bepaalt.

Om waardevol onderzoek zo goed mogelijk te ondersteunen, hanteren het FWO en zijn Europese collega-instituten verschillende strategieën. Zo maken de wetenschappelijke fondsen werk van een gedeeld onderzoeksveld, de Europese Onderzoeksruimte of European Research Area (ERA), waarbij mobiliteit van onderzoekers tussen kennisinstellingen in Europa en samenwerking met collega-experts uit het buitenland worden aangemoedigd. ERA-NET’s zijn netwerken van onderzoek financierende organisaties, zoals het FWO, die consortia van onderzoekers uit verschillende deelnemende landen ondersteunen. Elke financierder betaalt de onderzoekers uit zijn eigen land of regio.

Daarnaast wil het FWO waardevol onderzoek dat onder de radar blijft, ondersteunen.

In het biomedische veld is het TBM-kanaal (Toegepast Biomedisch onderzoek met een primair Maatschappelijke finaliteit) al jaren een vaste waarde. Daarmee ondersteunt het FWO waardevol, doorgedreven onderzoek dat weinig potentieel heeft om op grote schaal gecommercialiseerd te worden. Kim Martinod en Bart Neyns zijn twee biomedische wetenschappers die vertrouwd zijn met de ERA-NET- en TBM-financiering. Martinod is Amerikaanse en sinds dit academiejaar als tenure-track-assistent-professor actief op de afdeling Cardiovasculaire Wetenschappen van de KU Leuven. Ze onderzoekt de rol van witte bloedcellen bij pathologische bloedstolling.

Martinod: “Bij infecties hebben witte bloedcellen de mogelijkheid om te exploderen: ze stoten hun DNA-vezels uit in de bloedbaan. Die vezels – zogenaamde NET’s – kunnen een immuunfunctie hebben door bacteriën te doden, maar zijn ook erg kleverig, waardoor ze de bloedbaan mogelijk verstoppen en tot bloedklonters leiden. Het komt echter ook vaak voor dat de NET’s actief worden wanneer er zich geen infectie voordoet, en dat die reactie vervolgens tot een trombose leidt. Waarom dat precies gebeurt, specifiek bij mensen met hartproblemen, probeer ik te achterhalen.” Bart Neyns is hoofd van de afdeling Medische Oncologie aan het UZ Brussel en als klinisch professor in de geneeskunde verbonden aan de VUB. Neyns haalt geregeld de pers met innovaties op het vlak van immuuntherapie, een kankerbehandeling die het immuunsysteem aanleert om kankercellen beter te detecteren en aan te vallen. Wint immuuntherapie vandaag steeds meer aan belang, dan is dat onder meer te danken aan het rotsvaste geloof van Neyns en zijn onderzoeksgroep in een therapie die jarenlang scepsis opriep. Neyns: “Ik heb het geluk gehad om in 2001, na mijn doctoraat, te mogen starten in het zog van uitstekende immunologen, zoals Kris Thielemans (VUB) en Thierry Boon (UCL en Ludwig Institute (1)). Het heeft echter verschillende klinische programma’s gevergd vooraleer we het potentieel van immuuntherapie konden opschalen, de nodige fondsen konden verwerven en betekenisvolle klinische successen boekten. Die academische verwezenlijkingen lieten Kris Thielemans toe om de spin-off eTheRNA op te richten.”

(1) Ludwig Cancer Research is een internationale gemeenschap van kankeronderzoekers, de opvolger van het gereputeerde Ludwig Institute voor Kankeronderzoek, een vzw met lokale afdelingen in Lausanne, Oxford, Stockholm, Uppsala, San Diego en Brussel.

De juiste fondsen op het juiste moment kunnen niet alleen onderzoek, maar ook een carrière sturen. Hoe verliep dat in jullie geval?

Martinod: “Ik behaalde mijn doctoraat en voerde een deel van mijn postdoc uit aan de Harvard Medical School en het Boston Children’s Hospital. De Longwood Medical Area in Boston, waar verschillende grote instituten en ziekenhuizen verzameld zijn, is een plek waar tal van wereldexperts rondlopen. Een ideale plek om te leren dus, maar ik had naar mijn gevoel niet alle tools voorhanden om de onderzoeker te worden die ik wilde zijn, laat staan om een lab te runnen zoals ik dat graag wilde. Als fundamenteel onderzoeker is het in de VS soms moeilijk om contact te houden met de klinische kant van je onderzoek. Labo’s zijn er ook minder op gericht om doctoraatsstudenten op te leiden. Wat gebeurt er met de inzichten die je in het lab opdoet? Dat kom je vaak niet te weten. Die dynamiek vond ik wel in Europa.”


"In de VS kon ik me niet verder ontwikkelen. Wat gebeurt er met de inzichten die je in het lab opdoet? Dat kwam ik in Europa wél te weten"
Kim Martinod

“In 2017 kon ik via een Marie Skłodowska-Curie-beurs (2) van het FWO aan de KULAK in Kortrijk terecht als postdoc, in een groep met een uitstekende staat van dienst in de begeleiding van PhD-studenten. Ook leerde ik er hoe je die training best verzorgt. Twee jaar later startte ik mijn eigen labo aan de KU Leuven. Zonder die financiële steun zou mijn carrière anders gelopen zijn. De keuze voor België en Leuven heb ik me nog geen moment beklaagd. Op ziekenhuiscampus Gasthuisberg kom ik haast dagelijks in contact met artsen en klinisch personeel, waardoor ik steeds beter de link kan leggen tussen fundamenteel onderzoek en ziektes. Bovendien investeert de KU Leuven niet alleen in onderzoeksmogelijkheden, maar ook in de soft skills van onderzoekers, zoals presenteren en communiceren over je onderzoek. Ik ben ervan overtuigd dat dat dé manier is om vooruitgang te boeken, als onderzoeker maar ook als mentor voor studenten.”

(2) Een Marie Skłodowska-Curie-beurs ondersteunt excellente, jonge wetenschappers bij het uitbouwen van hun onderzoeksloopbaan. De beurs wordt toegekend aan de instelling die de onderzoeker ontvangt.

Neyns: “Ik heb destijds bewust gekozen voor het UZ Brussel, een kleine maar dynamische onderzoeksplek. Het voordeel van die omgeving is dat je er snel kan bewegen van een concept naar een eerste testpatiënt. Ik geniet ervan om intens samen te werken met onze fundamentele onderzoekers, om samen inzichten te delen over nieuwe behandelmethodes. Door de steun via het TBM-kanaal van het FWO heb ik als onderzoeker een therapie al deels tot wasdom laten komen. Die steun heeft mijn carrière tot dusver mee bepaald.”

Jullie krijgen allebei steun via het FWO, respectievelijk een ERA-NET-project en een TBM-project. Voor welke mogelijkheden zorgt dat?

Neyns:

“Een TBM-financiering biedt een grote vrijheid om fundamentele inzichten te testen in klinische programma’s met patiënten.

Met de behandeling die wij bestuderen, zouden we voorlopig enkel patiënten kunnen helpen met huidkanker of kwaadaardige hersentumoren. Het gaat om een niche, waar voor bedrijven geen quick return on investment in zit. Het TBM-programma biedt ons de kans om in te zetten op ontwikkelingen waar de farmaceutische sector niet in geïnteresseerd is. In 2012 mocht ik een eerste keer TBM-ondersteuning ontvangen. Die liet ons toe om een nieuwe test uit te voeren bij 39 patiënten die al behandeld waren voor huidkanker. Acht van hen hebben we meteen kunnen genezen, het gaat nog steeds goed met hen na meer dan vijf jaar opvolging.” “Via het TBM-project dat we vorig jaar ontvingen, zetten we dit jaar opnieuw een klinisch testprogramma op, dit keer rond radio-immuuntherapie, een behandeling die effectiever is en de overlevingskansen vergroot voor patiënten met een specifiek type longkanker. Tegelijk gaan we na of we de methode kunnen uitbreiden naar andere kankers.”


"Door de steun van het FWO en het TBM-programma heb ik immuuntherapie deels tot wasdom laten komen. Die steun heeft mijn carrière tot dusver mee bepaald"
Bart Neyns

Martinod: “Met de steun van het FWO in het kader van het ERA-NET voor cardiovasculair onderzoek, dat jonge wetenschappers in het bijzonder aanmoedigt om deel te nemen, heb ik een samenwerking opgezet die anders niet mogelijk was geweest in deze fase van mijn carrière. Vanuit de KU Leuven en UZ Leuven werken we de komende drie jaar samen met collega’s uit Parijs en Freiburg rond de impact van NET’s op hartfalen. Zelf ben ik coördinator en de enige fundamentele onderzoekster aan boord, de overige partners zijn klinische wetenschappers. Dat brengt heel wat fundamentele en klinische expertise samen in één project.” “De voorbije tien jaar heb ik de invloed van NET’s in ziektes bestudeerd aan de hand van experimentele labomodellen en observatiestudies bij patiënten.

Via ERA-NET komt dat onderzoek in een stroomversnelling.

We zetten de stap van inzichten naar praktijktesten en systematisch nagaan wanneer, waar en hoe dit proces zich voordoet bij patiënten. Onze proefpersonen zijn patiënten met een aangeboren hartdefect. Ze ondergingen als kind al een operatie, wat toen hun leven redde, maar lopen het risico om in hun dertiger- of veertigerjaren te sterven aan hartfalen. Net die risicogroep willen we het eerst helpen. Tegelijk zullen we van hen het meest kunnen leren, omdat ze in het kader van hun behandeling al uitgebreid getest worden.”

Wordt het moeilijker voor onderzoekers om publieke fondsen te vergaren voor pril biomedisch onderzoek?

Neyns: “Ja en nee. Het TBM-programma blijft belangrijk. Veel waardevolle inzichten en methodes vallen moeilijk te patenteren, waardoor bedrijven weinig of geen interesse tonen. Vanuit financieel oogpunt blijft dat een wetmatigheid. Ik probeer als onderzoeker geen geld te verdienen aan immuuntherapie, ik wil enkel begrijpen hoe bepaalde cellen werken om mensen te kunnen genezen van kanker. Het FWO speelt daar met het TBM- programma op in. Tegelijk starten steeds meer particulieren eigen fondsen op om de behandeling van zeldzame of hardnekkige ziektes te verbeteren. Daar kunnen wij enkel dankbaar om zijn.” Martinod: “Toch blijf ik erg bezorgd over de verschuiving het afgelopen decennium in de investeringsprioriteiten van farmabedrijven, wanneer het gaat om medicijnen die het leven van hartpatiënten kunnen redden. Beroertes en hartziektes zijn wereldwijd doodsoorzaak nummer één. Toch weten we bitter weinig over die aandoeningen, omdat er veel te weinig geïnvesteerd wordt in fundamenteel onderzoek waaruit betere behandelingen kunnen voortvloeien. Een van de beste medicijnen voor patiënten met hartklachten is nog altijd aspirine, een genees- middel dat de farma-industrie weinig oplevert. Ik vrees dat een gebrek aan systematische financiering in dit domein een rem zet op mogelijke vooruitgang.”


"Beroertes en hartziektes zijn wereldwijd doodsoorzaak nummer één. Toch weten we weinig over die aandoeningen, omdat er niet voldoende geïnvesteerd wordt in fundamenteel onderzoek"
Kim Martinod