Pattie Maes

Software-ingenieur en ondernemer, Massachusetts Institute of Technology

Slechts een handvol Belgische wetenschappers staat te boek als wereldautoriteit. Bovendien maakt professor Pattie Maes aan MIT in Boston furore in artificiële intelligentie, een domein dat door mannen wordt gedomineerd. Grenzen overschrijden én verleggen: maak kennis met een bescheiden inspirator. “Of ik erboven uitsteek? Ik heb vooral geluk gehad.”

“De druk is torenhoog, maar aan een plek als MIT kan niets tippen”

Mocht Pattie Maes aan een Europese topuniversiteit onderzoek verrichten, dan had u haar naam wellicht al vaker horen vallen. De Wemmelse maakte als jonge twintiger in 1989 de oversteek naar de oostkust van Amerika, waar ze zich de voorbije decennia verdiepte in artificiële intelligentie en de relatie tussen mens en computer.

Maes is professor aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Boston, staat aan het hoofd van MIT’s Media Lab en kreeg voor haar werk heel wat weerklank in de Verenigde Staten.

TIME rekent haar bij de Cyber Elite, de vijftig beste technologische pioniers van de hightechwereld. Newsweek noemde haar in 2000 één van de honderd Amerikanen om naar uit te kijken in de 21ste eeuw. Ze won tal van technologieprijzen, ontving een eredoctoraat van de VUB en tekende met haar TED Talk uit 2009 over ‘The 6th Sense Device’ voor één van de meest bekeken video’s uit de hele reeks.

Haar staat van dienst is indrukwekkend. Niet alleen als wetenschapper, maar ook als ondernemer rond praktische toepassingen van kunstmatige intelligentie.

Zo hielp ze doorheen haar carriëre drie bedrijven oprichten die onder meer bijdroegen aan de manier waarop e-commerce vandaag werkt: Firefly Networks werd verkocht aan Microsoft, Open Ratings is momenteel in handen van Dun & Bradstreet en Tulip Co is nog steeds in haar bezit.

Toch begon het in de jaren tachtig allemaal in eigen land, met een doctoraat aan de VUB binnen de onderzoeksgroep rond artificiële intelligentie van professor Luc Steels. De beurzen van het toenmalige NFWO gebruikte Maes als springplank naar de States.

“Ik was op dat moment één van de gelukkigen: dankzij die fondsen kon ik me volledig op onderzoek richten en hoefde ik geen les te geven, waardoor ik snel vooruitgang kon boeken en kansen kon grijpen. Tijdens mijn doctoraat bracht ik al eens drie weken door aan de universiteit van Stanford en aan MIT in Boston, later een hele zomer in het onderzoeksinstituut Xerox PARC van Stanford. Als gastprofessor kon ik daarna een jaar naar Boston en kreeg ik in 1989 een plek aangeboden op MIT. Ook al kon ik dat amper geloven en ging ik de eerste vrouw zijn in een team van veertig professoren die rond kunstmatige intelligentie werkten: die sprong moest en zou ik maken.”

“De eerste vrouw zijn in een team van veertig professoren: die sprong moest en zou ik maken”

Vandaag is artificiële intelligentie een ingeburgerd begrip. Dat lag in de jaren tachtig, toen u zich in het onderwerp vastbeet, ongetwijfeld anders.

“Toen ik aan mijn academische carrière begon, was er toch al heel wat interesse in kunstmatige intelligentie. Niet per se bij het grote publiek, wel bij tal van bedrijven in binnen- en buitenland.

Ik druk het graag zo uit: kunstmatige intelligentie heeft al verschillende zomers en winters meegemaakt. Er was destijds veel belangstelling voor expertsystemen. Dat zijn systemen die autonoom een beslissing kunnen nemen, bijvoorbeeld om dokters te helpen om een diagnose te stellen. Maar er waren ook andere mogelijkheden. Zo was ik aan de VUB betrokken bij een onderzoeksproject voor de NMBS. Samen onderzochten we hoe artificiële intelligentie kon helpen om hun locomotieven efficiënter in te zetten in de treinregeling.”

“Met rule-based decision making, waarbij een algoritme wordt samengesteld op basis van de parameters if, then en not, konden we in theorie tal van processen optimaliseren. Alleen bleek het een te grote uitdaging om de expertsystemen in de praktijk te brengen. Ze werden met de hand opgebouwd en konden nog niet uit zichzelf verbeteren aan de hand van nieuwe data, zoals dat nu het geval is. Bovendien was er weinig vertrouwen in de nieuwe technologie.

Om naar de medische wereld terug te keren: veel dokters geloofden niet dat een technologie, een geprogrammeerde computer, dezelfde diagnoses kon stellen als zij. Na de hype - de eerste zomer - volgde een lange winter. Conferenties werden kleiner, het enthousiasme van bedrijven bekoelde.

Vandaag beleven we weer een nieuwe zomer. Dankzij kunstmatige neurale netwerken en machine learning, waarbij systemen zichzelf slimmer maken aan de hand van data, patronen kunnen identificeren en autonoom beslissingen kunnen nemen, leven softwareingenieurs opnieuw op hoop.”

Zullen de verwachtingen rond artificiële intelligentie altijd in pieken en dalen blijven golven? Komt er nog een nieuwe winter aan?

“Er is altijd te veel hype en te veel hoop als het over artificiële intelligentie gaat. Een winter zal zeker nog volgen. Een treffend voorbeeld is Watson, de supercomputer van IBM, die op basis van vraag-antwoord-software de grenzen van kunstmatige intelligentie probeert te verleggen. Alleen blijkt de praktische integratie van zo’n computer niet evident (IBM zette Watson aanvankelijk in als quizcomputer, later ook in de medische wereld om artsen te adviseren over de behandeling van kankerpatiënten, red.).

Waarvoor en hoe zet je zo’n computer precies in? Het staat vast dat het systeem gemiddeld betere diagnoses van borstkanker stelt dan dokters, maar laat je dokters dan nog meekijken? Of ontzeg je hen de toegang tot die expertise en leg je de diagnose volledig in handen van een computer?

Op fundamenteel wetenschappelijk vlak kan er rond kunstmatige intelligentie al heel veel. In de praktijk botsen we vaak op frictie: sociale of economische problemen, ethische bezwaren of managementvraagstukken.”

“De gedrevenheid van mijn collega’s werkt aanstekelijk. Je wilt het beste uit jezelf halen, veel ondernemen, veel verwezenlijken”

Waar spitst uw huidige onderzoek zich op toe?

“Momenteel richt ik mijn aandacht vooral op wearables, intelligente draagbare systemen die ons leven gemakkelijker kunnen maken. Denk bijvoorbeeld aan een koptelefoon die kan inspelen op de voorkeuren van de gebruiker.

Zo zal het binnen afzienbare tijd mogelijk zijn om een koptelefoon zo te programmeren dat hij hersen golven kan lezen en daarmee aan de slag kan. Als jij creatief bezig wilt zijn of net ultiem wilt ontspannen, speelt de koptelefoon muziek af die de juiste hersendelen stimuleert. Aan die toekomst werken we in het Media Lab.”

Op welk vlak onderscheidt MIT zich van andere universiteiten? Welke aantrekking had het op u?

“In vergelijking met Belgische en zelfs Europese universiteiten ligt de focus nog meer op onderzoek, wat ik alleen maar toejuich. Dat voel je in de werkverdeling. Een hoogleraar in België geeft gemiddeld drie lessen per week, wat neerkomt op zes uur college. Een les voorbereiden neemt echter makkelijk anderhalve dag voorbereiding in beslag, waardoor tal van Belgische profs amper aan onderzoek toekomen.”

Aan MIT ligt dat anders: je geeft één les per week en kan de rest van je tijd volledig aan je onderzoek wijden. Daarnaast verloopt de financiering van onderzoek helemaal anders. Bedrijven geven in Amerika enorm veel geld uit aan onderzoeksuniversiteiten zoals MIT. IBM alleen al heeft voor 90 miljoen dollar aan projecten lopen aan MIT. Voor het Media Lab komt 70 procent van de fondsen van bedrijven zoals Google en Bose. We werken nauw samen met de privésector om in te spelen op de achilleshiel van kunstmatige intelligentie: toepassingen zo gericht mogelijk maken en anticiperen op frictie.”

“Omdat er zoveel geïnvesteerd wordt, hebben onderzoeksuniversiteiten zoals CMU (Carnegy Mellon University, een onderzoeksinstituut in Pittsburgh, red.), Stanford en MIT een bruisende cultuur van spin-offs. Studenten worden zelfs al tijdens hun studies aangemoedigd om via durfkapitaalfondsen (ook bekend als venture capital, kapitaal om ondernemingen te financieren die hoge risico’s dragen, red.) hun eigen bedrijfje op te starten.

De instapvoorwaarden zijn bewust laag. Het Media Lab van MIT heeft met ‘E14’ een eigen durffonds: één A4 met een sterk idee volstaat om een som opstartgeld los te weken.

Tegelijk is er een enorm netwerk van oud-studenten en ondernemers die student-ondernemers en beginnende ondernemers vanuit de universiteit met raad en daad bijstaan.”

U hebt een fantastisch parcours gelopen aan MIT. Zal u uw carrière ook afsluiten in de Verenigde Staten?

“Ja! Ongetwijfeld. Ik heb in mijn carrière heel wat mooie aanbiedingen gekregen uit andere landen, maar geen enkele was zo interessant dat ik ook maar overwoog om MIT te verlaten. De omgeving waarin ik werk is zowel creatief, internationaal, intellectueel als interessant. De sfeer en cultuur hier vind je nergens anders.

Tegelijk is deze job enorm veeleisend. Omdat iedereen zo hard werkt, pik je die mentaliteit haast automatisch op. Aanvankelijk stond ik gek te kijken naar het ritme van mijn collega’s, maar hun gedrevenheid werkt aanstekelijk. Je wilt het beste uit jezelf en je werk halen, veel onderzoeken, veel ondernemen, veel verwezenlijken.

Het is alles of niets: of je kiest voor een leven waarin je altijd aan het werk bent, of je zoekt een ander beroep. Het Amerikaanse systeem kan bikkelhard en overrompelend zijn. Studenten gaan leningen aan om zich aan MIT of andere topuniversiteiten in te schrijven voor meer dan 50.000 dollar per jaar. Dat zorgt voor een torenhoge druk, maar tegelijk ook voor een prestatiedrang waardoor mensen grenzen gaan verleggen. Professoren leggen zichzelf hier eenzelfde soort druk op: haal het beste uit jezelf. Daarom is er geen betere plaats ter wereld om mijn passie na te jagen dan hier in de States, aan MIT.”