Peter Piot

Directeur London School of Hygiene & Tropical Medicine

“Virussen kennen geen grenzen. Als COVID-19 ons iets leert, dan is het dat we nood hebben aan meer samenwerking over de grenzen heen”

In het avontuur dat zich tijdens een academische loopbaan ontvouwt, heeft baron Peter Piot elke mogelijke horizon opgezocht. Eind dit jaar sluit hij die rijke carrière af als directeur van de vermaarde London School of Hygiene & Tropical Medicine. Een gesprek met één van ’s werelds beroemdste virologen over ongebreidelde passie, het onderschatten van virussen en luisteren naar je tegenstanders.

Behoeft Peter Piot nog een introductie? In 2005 ging de VRT op zoek naar de Grootste Belg, een eer die weggelegd was voor Pater Damiaan. Op plaats 26, tussen schilders James Ensor en Jan van Eyck, prijkte de naam van Peter Piot, dokter en viroloog en sinds de jaren zeventig voorvechter van de globale aanpak van dodelijke virussen.

Piots 45-jarige carrière overlopen is door een eregalerij wandelen langs verwezenlijkingen, prestigieuze titels en academische prestaties. Zijn meest bekende wapenfeit is de mede-ontdekking van het ebolavirus in 1976 in Congo. Op dat moment was Piot 27 en net afgestudeerd. Pas enkele jaren later zou hij in eigen land aan een doctoraat starten.

Piot werd wereldvermaard als onderzoeker en docent aan o.a. het Instituut voor Tropische Geneeskunde in Antwerpen, de University of Washington en de universiteit van Nairobi. Hij stond meer dan tien jaar aan het hoofd van de eerste onderzoeksprogramma’s naar hiv in Antwerpen en in Afrika, waar baanbrekend werk verricht werd op het gebied van virologie, epidemiologie en klinische wetenschappen.

In de jaren negentig werd hij uitvoerend directeur van UNAIDS, het programma van de Verenigde Naties als antwoord op de wereldwijde aidsepidemie.

2020 zou vooral een rustig jaar worden: zijn laatste jaar als directeur van de London School of Hygiene & Tropical Medicine (LSHTM). Een definitief afzwaaien als manager en de terugkeer naar België lonkten. Tot COVID-19 toesloeg.

Piot raakte zelf besmet en was een tijdlang buiten strijd. Maar hij genas en is op dit moment drukker in de weer dan ooit, onder meer als speciaal COVID-19-adviseur voor Europese Commissievoorzitster Ursula von der Leyen.

Of de drukte hem boven het hoofd stijgt? Geenszins. Of hij even tijd heeft voor een terugblik op zijn carrière? Met alle plezier. Al kunnen we niet om hét gespreksonderwerp van 2020 heen.

Professor Piot, hoe gaat het intussen met u? Het annus horribilis 2020 was voor u ongetwijfeld een jaar om nooit te vergeten.

“Het was inderdaad een bewogen jaar. Toen ik van 1995 tot 2008 aan het hoofd stond van UNAIDS had ik het zeker even druk als nu, omdat we bezig waren met de uitrol van een behandelingsprogramma voor aids in Afrika. Dat was heel stresserend.

Maar dit jaar werd het allemaal een stuk persoonlijker. Ik wilde eigenlijk zonder zorgen starten aan mijn elfde en laatste jaar als directeur, maar toen kwam COVID-19 en werd ik ook zelf zwaar ziek. Terwijl ik in mijn leven nooit ziek ben geweest. De eerste drie, vier weken was ik volledig buiten strijd en kon ik niets doen. Na verschillende heropflakkeringen ben ik opgeknapt. Ik heb het aan den lijve ondervonden: dit virus is niet van de poes. Ook op wetenschappelijk vlak schudt COVID-19 een en ander door elkaar. Aan de London School zijn we het gewoon om rond epidemieën te werken, maar deze crisis heeft ons in snelheid en impact gepakt.”

"Deze crisis heeft ons in snelheid en impact gepakt"

Heeft de wetenschap zichzelf overtroffen in de aanpak van COVID-19 en de ontwikkeling van de vaccins, gelet op de snelle doorlooptijd? Hoe heeft u dat zelf ervaren?

“Ik heb de voorbije jaren regelmatig lezingen gegeven over de vraag: zijn we klaar voor een volgende pandemie? Mijn antwoord was jaar na jaar: nee. Zelf ging ik altijd uit van een uitbraak van een nieuw griepvirus. Uiteindelijk werd het corona, een nog gevaarlijker virus omdat niemand ertegen immuun was. Ik had ook niet verwacht dat zo’n virus de economie en het leven van mensen overal ter wereld zo overhoop zou gooien. Even straf is het antwoord van de wetenschap: het is ongezien dat we op tien maanden tijd goed werkende vaccins op de markt konden brengen. Toch komen die vaccins niet uit de lucht vallen: ze zijn het resultaat van decennialang fundamenteel onderzoek.”

“Op LSHTM zijn pandemieën bij wijze van spreken ons dagelijks brood. Zo beschikken we over een équipe om u tegen te zeggen in de strijd tegen epidemieën. Er is een rapid support team dat snel naar elk land ter wereld kan reizen om een ebola-uitbraak op te vangen. Er zijn onderzoeksgroepen voor klinische studies voor virusbehandeling. We beschikken over de beste mathematici en fysici, die wiskundige modellen maken en op die manier van bij het begin sterk betrokken waren bij het Britse coronabeleid. Maar begin vorig jaar stonden we nergens. Dat maakt de huidige inzichten des te straffer.”

U bent een man van vele ervaringen, avonturen en verwezenlijkingen. Had u als jonge onderzoeker al de drang om snel naar het buitenland te trekken?

“Zeker en vast. Na mijn veldwerk in Afrika kon ik met de steun van het NFWO en de NAVO een deel van mijn doctoraat, aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde, in de VS uitvoeren. Ik besefte dat het in mijn domein in België niet storm zou lopen. Daarom ben ik begonnen bij het Instituut voor Tropische Geneeskunde, ook omdat ik de wijde wereld in wou. In 1978 trok ik naar de Centers for Disease Control in Atlanta en vervolgens naar de University of Washington in Seattle. Ik merkte dat onderzoekers daar niet méér wisten dan ik, maar wel een beroep konden doen op grotere budgetten en onderzoeksgroepen. Er was ook meer samenwerking tussen disciplines en meer flexibiliteit. Die periode in de VS was een hefboom voor mijn latere carrière. Ik legde er belangrijke contacten die vooral in mijn AIDS-onderzoek van pas zouden komen. Bovendien zou later het merendeel van mijn onderzoeksgelden uit Amerika komen.”

U bent de pensioengerechtigde leeftijd in België al enkele jaren voorbij. Zal u blijven werken tot u 80 of ouder bent?

“Nee, dat is niet mijn bedoeling. Hoewel ik niet van plan ben om te stoppen met werken. Alleen wil ik niet meer de baas zijn en managementverantwoordelijkheid dragen - dat heb ik bijna veertig jaar gedaan. Als dit interview verschijnt, zal ik 72 zijn. Ik hou van de Britse mentaliteit rond de pensioengrens: er is geen verplichte leeftijd, alles hangt af van je prestaties. Men gooit mensen niet weg op een bepaalde leeftijd, dat beschouwt men als discriminatie op basis van leeftijd. (Fijntjes) Al liggen de pensioenen ook een stuk lager. Tegelijk is dat systeem nadelig voor jongeren: het budget is niet onbeperkt en ouderen zijn qua loonlast duurder. Dat maakt het lastig voor jonge generaties om tegen ons op te boksen. Ook daarom doe ik binnenkort een stap opzij: het is tijd voor vers bloed.”

“Één van de grote genoegdoeningen in een academisch leven is dat je als onderzoeker gaandeweg gaat samenwerken met jonge onderzoekers, die ook een succesvolle carrière weten uit te bouwen, deels dankzij de inzichten die je hen hebt aangereikt. In Afrika zeggen ze altijd dat ik veel kinderen en kleinkinderen heb: in geestelijke zin uiteraard. Ik ben enorm trots dat ik al die lokale onderzoekers en dokters voor een stukje vooruit heb kunnen helpen.”

"Regeringen moeten blijven investeren in zowel fundamenteel als toegepast onderzoek. Niet alleen in tijden van crisis"

De crisis is nog niet afgewend, maar we kunnen wel al voorzichtig vooruitblikken: zullen we in de toekomst wél klaar zijn voor een pandemie als deze?

“Dan moeten we er in ieder geval rekening mee houden dat we niet weten wanneer zo’n virus toeslaat. En in gedachten houden hoe problematisch de situatie het voorbije jaar was. In Zuidoost-Azië bestrijdt men corona met dezelfde middelen als wij, maar zelfs in landen met een veel grotere bevolking, zoals Vietnam, kunnen ze het aantal coronaslachtoffers op een paar handen tellen. Daar kijken we met afgunst naar. Een land als Singapore had lessen getrokken uit de SARS-uitbraak tussen 2002 en 2004. Zo konden ze bij het eerste COVID-alarm hun systeem voor snelle diagnostiek opstarten: efficiënte contacttracing, een sterk preventiebeleid en infrastructuur voor zowel testing als behandeling."

"Zodra voldoende mensen gevaccineerd zijn, mogen we in Europa niet op onze lauweren rusten. Virussen kennen geen grenzen. We hebben nood aan minder oogkleppen en meer samenwerking over de landsgrenzen heen. Gezondheid is op dit moment geen bevoegdheid van de Europese Unie, maar preventie en bestrijding van epidemieën zou dat wel degelijk moeten zijn.”

Wat moet er dan precies veranderen?

“Het beleid én de mentaliteit. In Japan is het al honderd jaar taboe om géén mondmasker te dragen op het werk of in publieke ruimtes als je verkouden bent. Dat moet ook bij ons de sociale norm worden. Tegelijk moeten regeringen blijven investeren in zowel fundamenteel als toegepast onderzoek. Niet alleen in tijden van crisis! Net zoals dat voor griep en hiv hopelijk ooit ontwikkeld zal worden, hebben we nood aan een universeel vaccin tegen corona en zijn mutaties.

En verder hebben we nog te weinig inzicht in alle complicaties die COVID-19 met zich meebrengt: waarom zijn de heropflakkeringen van het virus zo vermoeiend? Zijn er bijvoorbeeld verbanden met het chronisch vermoeidheidssyndroom?”

"Steeds meer mensen weigeren vaccins. Dat kan ertoe leiden dat we deze epidemie niet ingedijkt krijgen. Dat mensen zich vragen stellen bij de snelle ontwikkeling van de vaccins, is ergens begrijpelijk. Naar die mensen moet je luisteren, wat ik vanuit mijn functie regelmatig doe. Je moet hen overtuigen dat vaccinatie veilig is en dat ze daarmee niet alleen zichzelf, maar ook hun familie, vrienden en de hele maatschappij beschermen.

Antivaxers laat ik buiten beschouwing: zij vertrekken van een geloof. Meer informatie doet hen niet van mening veranderen. Terwijl het net belangrijk is dat je iedereen meekrijgt in dit verhaal. Frankrijk bijvoorbeeld telt het grootste aantal vaccinatieweigeraars van Europa, zelfs onder verpleegkundigen en medisch personeel.

Als je weet dat het merendeel van de bevolking gevaccineerd moet zijn om ons allemaal te beschermen, is het van belang dat de overheid en de wetenschap - ook de sociale wetenschappen - blijven luisteren en tegelijk zo transparant mogelijk zijn.”